Een tapijt van schilfers

maandag, januari 26, 2015 0 0

Gek genoeg herinner ik mij er schandalig weinig van. Op 24 mei 1995 was ik vijftien. Een gabber en ik hadden ons in de achterkamer op de bank verschanst. Mijn zevenjarige broertje lag ongetwijfeld te ronken, mijn voetbal hatende ouders zaten vermoedelijk met boeken en klassieke muziek in de slaapkamer ondergedoken. Maar dat is een wild gokje.

De schitterende karatetrap van Ome Louis staat me vaag bij, evenals de theatrale witte schoentjes van Marco Simone. Ze waren levensgevaarlijk, die schoentjes, maar scoorden gelukkig niet. Natuurlijk herinner ik me Patje Kluivert en zijn rommelgoal. En de vergeefse duik van die kale keeper, Sebastiano Rossi (geboren in 1964; dat soort dingen wist ik toen). Patje die in een hondsdolle vreugdesprint omslachtig zijn shirt omdraaide. De ongeremde euforie van een rondrennende Frank Rijkaard na afloop. Mijn meest heldere visuele beeld is echter dat van een driekwart gevulde zak chips. Na Patjes puntertje kon ik in mijn blinde vreugdedrift niks anders dan het vette zaakje verpulveren. Op de grond lag een tapijt van schilfers. Schilfers van gore Bolognese chips.

Wenen van geluk, dat deed Patje toen hij zijn moeder zag staan. Ik weende niet, want ik besefte niet hoe uniek Wenen 1995 was. Deze beker paste in een logische cyclus. Om de paar jaar pakten we wel zo’n cupje. Europa Cup II in 1987, UEFA Cup in 1992. Aangezien ik inmiddels beter weet, wordt het hoog tijd dat ik met terugwerkende kracht ga wenen van geluk.

Deze anekdote is ingestuurd door Gijs Lauret (1979), @gijslauret

Wil je ook je Wenen 1995 verhaal met ons delen? Zet het op papier (hou het kort, maximaal 700 woorden) en neem contact met ons op.

Reacties

reacties

Je kunt niet reageren.