Menno PotMenno Pot (1975) is popjournalist (o.a. de Volkskrant), voetbalschrijver en Ajacied. Haalde tussen 1993 en 2007 makkelijk de vijftig Ajaxwedstrijden per seizoen, nu met moeite de helft en hij miste die ene in Wenen. Met zijn supportersroman Vak 127 (2005) won hij de Nico Scheepmaker Publieksprijs voor Beste Sportboek (2006); met zijn non-fictiewerken De Derby (2008) en Sporen van Ajax (2012) won hij niks. Voetbalcolumnist van NUsport. Erfgoedvrijwilliger van Ajax. Say oeh-ah Pettersson.
Website: www.mennopot.com Twitter: @mennopot

Hoe oud was je op 24 mei 1995?
Twintig, dus een eenvoudige rekensom leert ons dat de Weense triomf van Ajax nu precies mijn halve leven geleden is. Mijn leeftijd heeft zich sindsdien verdubbeld. Het was een euforische maand. Sinds een week of vier had ik officieel ‘iets’ met het meisje op wie ik al heel lang stapelverliefd was. Het geluk kende geen grenzen.

Waar (en met wie) was je toen de finale werd gespeeld?
Ik bevond me op de tweede etage van een studentenpand aan de Bilderdijkkade, op de kamer van mijn vriend Bastiaan Vercouteren. Het was zo’n klassieke etage ‘en suite’, met schuifdeuren. Tussen de schuifdeuren stonden twee televisietoestellen met de konten tegen elkaar en in beide vertrekken zat het stampvol mensen. Overal kratten Best Bier van de Dirk van den Broek. Inderdaad, ik was niet in Wenen. Dat vond ik destijds heel normaal: buitenlandse reizen waren onbetaalbaar in mijn studentenleven. Het is hooguit achteraf een beetje wrang, want in Nederland miste ik in die jaren vrijwel geen minuut van Ajax. Thuis, uit, beker, Europacup, zelfs vriendschappelijk; ik was overal bij. En dan ging ik ook nog op Voorland naar Ajax-2 en de jeugd kijken. Toch kan ik me niet herinneren dat ik me erg opvrat over het missen van de finale. Het was gewoon niet anders.

Ben je een Ajax-fan?
Veel meer dan dat. Ik ben Ajacied. Zelfs wanneer ik me even geen ‘Ajax-fan’ voel, voel ik me wel Ajacied.

Wat was je favoriete speler uit dat gouden team?
Omdat ik niet Jari Litmanen wil zeggen, zoals iedereen, doe ik gewoon alsof mijn nummer twee mijn nummer één was. Finidi George. Prachtige speler, sympathieke gozer. Ik vergeet nooit dat we dat seizoen, tijdens de warming-up in De Meer, de naam van elke speler zongen totdat hij even naar de Diemenzijde gezwaaid had. Zodra hij dat had gedaan: op naar de volgende speler. Finidi was een bijzonder geval: die improviseerde altijd een minidansje wanneer zijn naam werd gescandeerd. En het mooiste: hij reageerde ook tijdens de wedstrijd, bijvoorbeeld wanneer hij naar de cornervlag liep om een hoekschop te nemen. Het was zo vrolijk in De Meer. Aan het voetbal was niets ergerlijk. We hadden zoveel lol. Dan had je aan Finidi een goeie: een echte publieksspeler.

Waar gaat je stuk in Wenen van Geluk over?
Ik was dus niet in Wenen en de ervaring van het in Amsterdam zitten tijdens de finale leverde al een hoofdstuk in mijn supportersroman Vak 127 op, dus voor Wenen van Geluk wilde ik schrijven over de merkwaardige laatste competitiewedstrijd vóór de finale, want daar was ik wel bij. Het was nota bene de Klassieker in De Kuip. Normaliter zou zo’n wedstrijd heel beladen zijn, maar nu hing er een vreemd sfeertje in de supporterstreinen, want iedereen dacht alleen maar aan de finale. Ajax won, bijna achteloos, met de kop al in Wenen, met 0-5. We waren zo krankjorem goed. Onwaarschijnlijke tijden.

Waar denk je aan bij Wenen 1995?
Aan de explosie van gejuich, bier en chips in die studentenkamer aan de Bilderdijkkade, toen Kluivert scoorde. En aan het feit dat ik me, toen ik me realiseerde dat we écht op 1-0 waren gekomen, oprolde in een soort foetushouding en begon te huilen. Ik kon ineens niets anders meer. Ik was me in die tijd, en zelfs op dat moment, heel erg bewust van wat me als Ajacied overkwam: onthoud dit, vergeet het niet, want dit maak je nooit meer mee. Het is nooit mijn Ajax-norm geworden.

Heb je nog een sappige anekdote voor ons die niet in je verhaal staat?
Niet echt. Behalve dan dat het ‘Wenen 1995’-hoofdstuk uit Vak 127 het meest waarheidsgetrouwe uit dat boek is. Vak 127 is een roman, met alle vrijheden van dien, maar 24 mei 1995 verliep voor mij écht ongeveer zoals in Vak 127, compleet met dat gehuil na het doelpunt. De studiegenoot die me toen liefdevol in haar armen nam en mijn tranen volkomen leek te begrijpen, heet in het boek Ilse, maar was in werkelijkheid Roos Schlikker, nu schrijfster en columniste in Het Parool. Ik spreek haar vrijwel nooit, maar zal haar vanwege dat moment altijd lief blijven vinden.

En wat alle lezers willen weten: wat is je favoriete eten?
Dat is allemaal ontzettend ingewikkeld, maar één ding kan ik wel zeggen: het voetbal dat Ajax de laatste twee jaar speelt, lust ik in elk geval niet.

Reacties

reacties

Je kunt niet reageren.